|
Louise Labé, Vingt-deuxième Sonnet Sonnets, Élégies, Épitres... baptiste.coulmont@nyu.edu |
|
|
français
néerlandais
|
||
Luisant Soleil, que tu es bienheureux De voir toujours t'Amie la face ! Et toi, sa soeur, qu'Endymion embrasse, Tant te repais de miel amoureux ! Mars voie Vénus ; Mercure aventureux De Ciel en Ciel, de lieu en lieu se glace ; Er Jupiter remarque en mainte place Ses premiers ans plus gais et chaleureux. Voilà du Ciel la puissante harmonie, Qui les esprits divins ensemble lie ; Mais s'ils avaient ce qu'ils aiment lointain, Leur harmonie et ordre irrévocable Se tournerait en erreur variable, Et comme moi travaillerait en vain. |
Glanzende Zon, hoe zalig om altijd Het aanschijn van je Liefste weer te vinden, Terwijl jij, Maan, Endymions beminde, Je mond met ambrozijnen zoenen weidt. Mars kijkt naar Venus, door de sferen glijdt Mercurius avontuurlijk op de winden, En Jupiter laat zich alom veblinden Door wat zijn jeugd verhit heeft en verblijd. Dat wil de grootste orde van de Hemel, Die samenhoudt dit goddelijk gewemel, Maar week wat zij beminnen uit hun blik, Dan zou hun evenwicht en strenge orde Een wisselvallige verwarring worden Waarin zij zouden wankelen als ik. Traduit par Paul Claes Texte provenant de De Brakke Hond |
|
| Ecole normale supérieure | ||